Dutch Strong Verbs

From UniLang Wiki

Jump to: navigation, search

These verbs don't follow the rules for the formation of the Past Tense or the Past Participle.

This means that they will have to be learned by heart.

This list only contains verbs that are widely used. Separable verbs are also omitted as they can be formed from the basic verbs they contain.


A Strong Verb with an irregular Past Tense has 3 forms in its Past Tense:

  • the past stem
  • the past stem + t
  • the past stem + en

The past stem itself can be found in the following tables, the other two are only mentioned when they are irregular.


The past stem by itself is used after ik, jij, u, hij, zij, het:

ik vroeg, jij vroeg, u vroeg, hij vroeg, zij vroeg, het vroeg
(note: there is in the past case no difference between jij in front or after the verb)


The past stem + t is only used with gij:

gij vroegt
(note: the t isn't needed when the past stem already ends in -t: ik schoot, gij schoot)


The past stem + en is used in the plural:

wij vroegen, jullie vroegen, zij vroegen


A general note: The verbs with an asterisk use 'zijn' in the Perfect Tenses (instead of 'hebben').


Contents

Semi-Irregular Verbs

This first category is irregular in either the Past Tense or the Past Participle, but regular in the other one.


Irregular Past Participle
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
bakken bakte gebakken to bake
barsten barstte gebarsten to burst
heten heette geheten to call (with a name)
lachen lachte gelachen to laugh
laden laadde geladen to load
malen maalde gemalen to grind
raden raadde geraden to guess
scheiden scheidde gescheiden to separate
vouwen vouwde gevouwen to fold
wassen waste gewassen to wash, to clean
weven weefde geweven to weave
wreken wreekte gewroken to take revenge


Irregular Past Tense
Infinitive Past stem Past Participle Translation + t, + en
vragen vroeg gevraagd to ask
zeggen zei gezegd to say zeidt, zeiden


Irregular Verbs

Simple vowel changing verbs

These verbs are all regular in forming 'stem + t' and 'stem + en'. But you still have to follow the rules of Dutch Orthography:

So bedroog + en becomes bedrogen: wij bedrogen.


ij-verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
begrijpen begreep begrepen to understand
bijten beet gebeten to bite
blijven* bleef gebleven to stay
drijven dreef gedreven to float
glijden gleed gegleden to glide
grijpen greep gegrepen to take (with hands)
hijsen hees gehesen to lift
kijken keek gekeken to look
krijgen kreeg gekregen to receive
lijden leed geleden to suffer
mijden meed gemeden to avoid
rijden reed gereden to ride, to drive
schijnen scheen geschenen to shine, to seem
schrijven schreef geschreven to write
spijten speet gespeten to be sorry
stijgen* steeg gestegen to go up
strijden streed gestreden to quarrel
verdwijnen* verdween verdwenen to disappear
vergelijken vergeleek vergeleken to compare
wijzen wees gewezen to point
wrijven wreef gewreven to rub
zwijgen zweeg gezwegen to be silent


ie-verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
bedriegen bedroog bedrogen to deceive
bieden bood geboden to bid
genieten genoot genoten to enjoy
gieten goot gegoten to water
kiezen koos gekozen to choose
liegen loog gelogen to lie (tell a falsehood)
schieten schoot geschoten to shoot
verbieden verbood verboden to forbid, to deny
vliegen vloog gevlogen to fly


ui-verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
besluiten besloot besloten to conclude
buigen boog gebogen to bend
duiken dook gedoken to dive
fluiten floot gefloten to whistle
kruipen kroop gekropen to crawl
ruiken rook geroken to smell
sluiten sloot gesloten to close
snuiten snoot gesnoten to blow your nose
spuiten spoot gespoten to squirt
zuigen zoog gezogen to suck


i-verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
beginnen* begon begonnen to begin
binden bond gebonden to bind
drinken dronk gedronken to drink
dwingen dwong gedwongen to force
klimmen klom geklommen to climb
schrikken* schrok geschrokken to scare
springen* sprong gesprongen to jump
stinken stonk gestonken to reek
vinden vond gevonden to find
winden wond gewonden to wind
winnen won gewonnen to win
zingen zong gezongen to sing
zinken* zonk gezonken to sink


e-verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
schenken schonk geschonken to donate, to pour
smelten smolt gesmolten to melt
trekken trok getrokken to pull
vechten vocht gevochten to fight
verbergen verborg verborgen to hide
vertrekken* vertrok vertrokken to leave
zenden zond gezonden to send
zwemmen zwom gezwommen to swim


other verbs
Infinitive Past Tense Past Participle Translation
bewegen bewoog bewogen to move
dragen droeg gedragen to carry
hangen hing gehangen to hang
laten liet gelaten to let
lopen liep gelopen to run
kunnen kon gekunnen can
roepen riep geroepen to call, to shout
scheren schoor geschoren to shave
slapen sliep geslapen to sleep
vallen* viel gevallen to fall
vangen ving gevangen to catch
verlaten verliet verlaten to abandon
wegen woog gewogen to weigh
worden* werd geworden to become


other verbs 2
Infinitive Past Tense Past Participle Translation + en
blazen blies geblazen to blow bliezen
graven groef gegraven to dig groeven


Complex vowel changing verbs

group 1
Infinitive Past Tense Past Participle Translation + en
helpen hielp geholpen to help
scheppen schiep geschapen to create
sterven* stierf gestorven to die stierven
werpen wierp geworpen to throw


group 2
Infinitive Past Tense Past Participle Translation + t + en
bevelen beval bevolen to command bevaalt bevalen
bidden bad gebeden to pray badt baden
breken brak gebroken to break braakt braken
genezen genas genezen to heal genaast genazen
geven gaf gegeven to give gaaft gaven
lezen las gelezen to read laast lazen
liggen lag gelegen to lie (upon something) laagt lagen
nemen nam genomen to take naamt namen
spreken sprak gesproken to speak spraakt spraken
steken stak gestoken to stab staakt staken
stelen stal gestolen to steal staalt stalen
vergeven vergaf vergeven to forgive vergaaft vergaven
vergeten vergat vergeten to forget vergat vergaten
zitten zat gezeten to sit zat zaten


Completely irregular verbs

Infinitive Past Tense Past Participle Translation +t, + en
bezoeken bezocht bezocht to visit
brengen bracht gebracht to bring
denken dacht gedacht to think
doen deed gedaan to do
eten at gegeten to eat at, aten
gaan* ging gegaan to go
hebben had gehad to have
houden hield gehouden to hold
komen* kwam gekomen to come kwaamt, kwamen
kopen kocht gekocht to buy
mogen mocht gemogen may
moeten moest gemoeten must
slaan sloeg geslagen to hit
staan stond gestaan to stand
verliezen verloor verloren to lose
vriezen vroor gevroren to freeze
weten wist geweten to know
zien zag gezien to see zaagt, zagen
zijn* was geweest to be waart, waren
zoeken zocht gezocht to search
Personal tools

« Return to the main site